Verdriet

Het is ochtend. Met tranen in mijn ogen zit ik dit te schrijven. Ik heb verdriet. Onze trouwe viervoeter Nepos, mijn pup zoals ik hem nog steeds noem, gaat sinds gisteren plots hard achteruit. Hij wil niet meer lopen, drinkt veel en lijkt afwezig te zijn. Plots ben ik bang om hem kwijt te raken.
Nepos hebben we genomen in een periode waar het met mij ook niet goed ging. Ik had een burn-out. Dat is al meer dan 13 jaar geleden. Nu lijkt het alsof het gisteren was. Het klinkt voor sommige misschien raar in de oren, maar een huisdier wordt een met je gezin. Bij ons althans. Het wordt een onderdeel. Een maatje. Hoewel ik me er van bewust ben dat ik menselijke gevoelens op de gelaatsuitdrukkingen en gedrag van Nepos leg, is het toch moeilijk om hem alleen maar als huisdier te zien. Hij heeft mij rust gebracht in een moeilijke tijd en afleiding toen het nodig was. En later plezier. Tom en ik hebben heel wat afgelachen met hem. Alleen al hoe hij soms deed, soms reageerde. Zoals uren mee in de hangmat liggen (of soms zelfs alleen). Minuten naar een bij op een bloem kunnen staren. Of pootje lappen als hij wilde spelen met een bal en dan speels in je kuiten bijten. Zijn eerste zwempogingen, waarbij hij rechtop bleef en met zijn grote poten grote halen maakte dat werkelijk water om zich heen sloeg. En zo zijn er nog veel dingen te benoemen.
We zagen het natuurlijk aankomen. Hij is 13+. Hij is grijs, minder actief, mager geworden. Slaapt al meer. Maar ook de wandelrondes zijn korter geworden. Hij kon het niet meer aan. Een half uur wandelen is al veel.
De vakantie in Frankrijk, waar ik het hartinfarct kreeg, was bedoeld als zijn vakantie. We wisten dat hij er volgend jaar mogelijk niet meer zou zijn of niet meer mee zou kunnen. Hoewel we daar maar enkele dagen zijn geweest, heeft hij nog liggen rollen in het gras. Over zijn bal heen. Speels als een jonge herdershond, mijn pup.
Nu ligt hij stil op de grond. Ik hoor zijn snelle ademhaling. Hij kijkt me af en toe aan.
Doe dit er ook nog maar bij! Het leven zit soms raar in elkaar. Verdriet, liefde, vreugde, rouw, geluk, ontkenning, gelatenheid, boosheid, frustratie…... Al deze gevoelens passeren in het leven. Maar ik moet zeggen (eigenlijk wil ik het schreeuwen) dat ik het wel even beu ben. Even beu? Nee heel beu! Ik weet dat ik iemand ben die zijn gevoelens wil beheersen, dat ik daardoor het gevoel heb dat ik houvast heb op wat me overkomt. Maar op dit moment, waarbij ik even alleen ben en ik mijn kwetsbaarheid voel, snotter ik, bengelen de tranen over mijn wangen en schokt af en toe mijn lichaam. Misschien is dit moment wel nodig. Heb ik dit moment nodig. Tranen van verdriet. Tranen om alles wat me overkomt.
En dadelijk ben ik weer sterk, of stel ik me sterk op, en volgt de afspraak bij de dierenarts.

Thuis

In het begin voelt het veilig om in het ziekenhuis te zijn. Maar als je er langer in ligt dan verlang je er naar om naar huis te gaan. Het ritme van het ziekenhuis bepaalt je leven. Om 7.45u wordt je wakker gemaakt voor de eerste controles en daarna volgen de medicijnen en het ontbijt. Daarna zoek je de badkamer op en voor je het weet lig je weer wat te rusten of loop je een klein stukje over de gang. Verder mag niet, want je zit aan de ‘tele’, wat staat dat je aan de bewaking zit en je dus continue in het oog wordt gehouden. Zo herhaalt zich ook het middag- en avondritueel, waarbij je ook blij bent bezoek te krijgen. Al is het maar om een ander praatje of een vriendelijk gezicht.
Afgelopen maandag kreeg ik al het bericht dat ik naar huis mocht. Ik was verrast, maar had daar ook wel oren naar. Meteen heb ik mijn koffer al ingepakt en het thuisfront ingelicht. Het thuisfront (lees: Tom) was ook verrast. Volgens mij stond het huis nog op z’n kop en moest hij de zeilen bijzetten om alles op orde te hebben (Zo heeft hij met mijn moeder en zijn moeder de tuin gedaan. Zodat ik lekker kon genieten van het mooie weer). Helaas bleek op het einde van de dag dat ik toch niet naar huis kon. Het ritmeteam, het team dat moet beslissen of ik met of zonder lifevest (dit is een externe defibrillator die een schok geeft als je hartritme wordt bedreigt) naar huis zou gaan, was deze maandag niet voltallig. Morgen zou het team de beslissing nemen. Teleurgesteld heb ik een schone onderbroek en mijn toilettas weer uitgepakt. En ook mijn laptop, want Netflix is onontbeerlijk als je verblijft in het ziekenhuis (hoe deden mensen dat voor het Netflixtijdperk?).
Dinsdag hebben we met smacht lopen wachten. Hoewel er werd gezegd dat we het zouden weten aan het begin van de middag werd het op het einde van de middag. Deze middag heeft voor mij gevoeld als het wachten op je vliegtuig dat vertraging heeft. Je bent in gedachten al onderweg, maar op reis ben je eigenlijk ook nog niet. Je zit in een soort limbo, staat even stil. Maar uiteindelijk komt het hoge woord: ik mag naar huis! Spullen mee, traktatie afgegeven en we zijn onderweg!
Ik ben nu enkele dagen thuis. Het is fijn om thuis te zijn. Mijn eigen omgeving, mijn eigen spullen, de hond om mij heen. Maar het valt me ook zwaar. Ik ben op zoek naar een nieuwe regelmaat en dat valt me niet mee. Ik kan fysiek gewoon minder. Ik ben snel moe. Ik wil van alles en zie van alles. Maar kan weinig. Als ik eens de griep heb dan trek me altijd wat terug. Ik heb dan weinig behoefte aan gesprekken of aandacht. Ook nu overvalt deze behoefte mij plotseling. Mijn Tom is juist iemand die wil zorgen en steeds wil weten hoe het met me gaat. Hij heeft ook zijn behoeften, behoeften aan een gesprek en aandacht. Vervelend dat ik nu niet in staat ben dit te geven. Ik ben me er ook van bewust, ik voel me ook schuldig hierover, maar kan het even niet. Hoewel ik mijn gemoed niet als somber wil omschrijven, ben ik me wel bewust dat ik er op moet letten dat ik dit niet wordt. Als ritme houd ik aan dat ik rond 22 uur ga slapen. Ik lees ook weer voor het slapen (dit laatste lukte in het ziekenhuis niet omdat ik de aandacht niet zo kon houden bij het verhaal). Sta rond 8 uur in de ochtend op en loop dan een stuk met de hond. Ook dit was in het begin even een stap, mentaal was het spannend maar ook fysiek kan ik niet zo ver. Gelukkig is het beestje de jongste niet meer en lopen we bijna op het zelfde slentertempo. Daarna ontbijt ik en heb ik ook hier mijn medicatieronde.
Als ik mijn eigen ervaring vertaal dan is het naar huis gaan een mijlpaal. Als verpleegkundigen zeggen we het vaak: ‘Wat fijn dat u naar huis mag!’. En dat is ook zeker zo. Maar naar huis gaan na een opname is ook een opgave op zich. Er ontstaan nieuwe uitdagingen, nieuwe zorgen en onzekerheden bij jezelf en de omgeving. En dit lijkt zich te vertalen door vast te houden aan oude gewoontes en rituelen thuis, maar deze zijn soms niet altijd meer afdoende.
Maar ik ben zeker blij om weer thuis te zijn!